Vluchten naar Lesbos

bootjeIk zit in het vliegtuig naar Turijn, maar mijn hoofd zit nog op Lesbos. Bij de reis van vorige week: acht dagen een helpende hand zijn voor de bootvluchtelingen die het Griekse eiland overspoelen. Na alle gesprekken vind ik het niet eens meer zo’n geschikt woord, bootvluchteling. Allereerst omdat het stukje op de boot maar zo’n kort onderdeel is van hun totale vlucht. Velen zijn al weken, zo niet maanden, onderweg. Te voet en kleine stukjes met de bus. Huis en haard verlaten. Hun land – dat zonder de dictatuur wellicht nooit hecht een land was – achterlatend. Mannen, vrouwen, maar toch ook zoveel gezinnen. Ieder met z’n eigen verhaal over de bommen, de moorden, de verliezen. Moeders, broers of kinderen die er niet langer zijn. Iedereen heeft wel iemand verloren. Eigenlijk zijn ze al jaren op de vlucht. Ook ‘vluchteling’ draag een eigen connotatie met zich mee: om aan mijn plaatje te voldoen moet een iemand toch minstens vies, besmeurd met bloed zijn en op blote voeten lopen wil hij in aanmerking komen voor de titel vluchteling. De mobieltjes, leren jacken en duurdere horloges dan ik kan betalen, roepen vragen op over de nood van deze mensen.
En toch is nu juist dàt één van de dingen die mij het meest raakte afgelopen week: wachtenstaande tussen duizend mensen die de nacht moeten doorbrengen op grond in een afgelegen hoek van het eiland, in de kou, zonder eten, drinken of iets om onder te liggen, met vrouwen en talloze kleine kinderen besef ik me: deze mensen zijn dit niet gewend. Ze lopen niet sinds hun geboorte al op blote voeten, wonen niet in lemen hutjes en eten geen droge maisbloem als avondmaaltijd. Dit zijn mensen uit een land dat tot voor een paar jaren geleden een standaard had gelijk aan die van mij. Met electriciteit, stromend water uit de kraan, mobieltjes met internet en openbaar vervoer. School, universiteit, sport clubs. En nu zitten ze midden in de misere.

Jonge gezinnen zoals het mijne, die zichzelf vinden midden in een oorlog. Niet gestart en niet gewenst. “Die or try”, zei een leeftijdsgenootje. En als ze niet in een gebied wonen waar de bommen vallen, dan dringt de vraag naar een houdbare toekomst. Hoe voorzie ik voor mn gezin? Wat is er nog te bereiken? Komt er ooit verandering? Mensen zoals jij en ik, van wie het leven, hoop en dromen in kapot zijn door oorlog.

Lifemoment

bootIn gedachten zie ik de tig bootjes nog vaker aankomen. Onze pogingen om ze naar een geschikte plek te seinen, het gejuich bij het dichterbij komen, de paniek bij aankomst. Het roepen van de ouders terwijl ze hun kindje in mijn handen leggen. Het vastklampen van dat meisje terwijl ik haar aan land zet. Hoe ik zachtjes zing voor een twee weken oude baby. Binnen twee minuten veranderd het strand in een gestreden veldslag. Huilende mannen, met handen geheven. Een vrouw valt om van de spanning, twee kinderen in shock. Onderkoelde gezichtjes en tranen.
Gelukkig niet alleen maar verdriet. Er klinken dankgebeden voor het halen van de overkant. Innige knuffels van familieleden. Een voorzichtige lach op de gezichtjes van de broertjes die ik een nooddeken omsla en ze glimlachend over hun bol aai. Het huilende ventje bedaard als ik wijs op z’n grote spierballen en em in gebarentaal complementeer met zijn torso. Ook een chup-a-tup op het juiste moment doet wonderen. Ik trek een ander jochie z’n ondergekotste broek vol zeewater uit terwijl we kijken naar de dokter die zn zusje die hevig trilt behandeld. Voor een enkeling heb ik een knuffelbeertje. Voor iedereen op z’n minst een handdruk of een vriendelijk gezicht. We wijzen ze de weg naar de vijf kilometer lange zandweg die ze moeten volgen tot de volgende stop. moederVan de vele honderden die ochtend is er in ons busje alleen plek voor de echt zieken en de baby’s. Al met al een moment van nog geen 20 minuten. Kort, vluchtig en daar gaan ze weer.
Het is pas aan het einde van de week in de opvangkampen aan de andere kant van het eiland dat ik een glimps krijg van het belang van het moment voor ben die aankomen. Het is als de 21-jarige Hassan mij herkent van een paar dagen daarvoor. En even later een van de stralende jochies van gisteren. Ik haalde ze er niet meer uit, maar als ik aankom bij zijn familie wordt duidelijk aan de overdadige hartelijkheid dat ze ons wel degelijk herkennen. Of met de woorden van een van de weinige engels sprekende vrouwen: “we will always always always remember you and what you have done for us.”

 

Resultaat

kampeIk vind het niet gemakkelijk een antwoord te geven op de vraag hoe de reis was. Het was een ontzettend bijzondere tijd, vol speciale ontmoetingen met vluchtelingen en ook met de vrijwiligers die overal ter wereld vandaan komen om te helpen. Maar aan het einde van de reis vind ik het moeilijk te zeggen wat we bereikt hebben. We hebben duizenden geholpen, maar niets veranderd. Eten, drinken en kleren uitgedeeld, maar geen schaarste opgelost. Voor één week zijn we een schakeltje geweest in een keten bij elkaar gehouden door vrijwilligers, maar een rapport over blijvende impact kan ik je niet geven.
Toch ben ik omvoorstelbaar blij dat ik er kon zijn in de donkerte van hun nacht. Dat ik met een piepklein lichtje mocht inspireren, weg van totale uitzichtloosheid. In de hoop dat Nadine en Juda dezelfde hand toegestoken krijgen in slechtere tijden. Omdat ik voel tot in het diepst van mijn wezen dat geven beter is dan nemen, en dat ik nergens meer tot leven kom dan daar waar ik mijzelf helemal geef. Maar ook in het geloof dat waar ik met het tweede gebod mijn naast liefheb, ik het eerste vervul.